Wat zegt de wet: verplichte spiegels volgens de regelgeving en het CBR
Hier zijn concurrerende artikelen vaak slordig, dus we maken het onderscheid precies. Er gelden namelijk twee lagen van regels.
Tijdens de rijles geldt het Reglement rijbewijzen, de regeling waarin ook de eisen aan lesvoertuigen onder de WRM (Wet rijonderricht motorrijtuigen) staan. Die eis is functioneel geformuleerd: de rijinstructeur moet via een binnen- en een buitenspiegel het weggedeelte achter en naast zich kunnen overzien. Sinds 1 juli 2020 mag dat ook via een goedgekeurd zichtveldverbeterend systeem, zoals een camera-monitorsysteem.
Tijdens het CBR-examen gelden aanvullende eisen. Het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen) mag die stellen op basis van artikel 82 van het Reglement rijbewijzen. Voor categorie B betekent dat concreet:
- Een tweede binnenspiegel voor de examinator, met een spiegelglas van minimaal 5,5 x 12,5 cm, voldoende afstelbaar en zonder vergrotend of verkleinend beeld.
- Een ooghoekspiegel van minimaal 4 x 8 cm, rechtsboven in de voorruit, waarmee de examinator de ogen van de kandidaat kan zien.
- Een tweede linker- en rechterbuitenspiegel (opzetspiegels), waarmee de examinator links en rechts naast en achter de auto kan kijken. Alleen opzetspiegels die zijn toegelaten door de Commissie Toelating Examenvoertuigen (CTE) worden geaccepteerd.
Een camera-monitorsysteem mag de opzetspiegels vervangen, maar alleen als het door de fabriek is ingebouwd met typegoedkeuring van de RDW en is goedgekeurd door de CTE. In de praktijk kiezen vrijwel alle rijscholen gewoon voor spiegels: goedkoper, simpeler en altijd geaccepteerd.
Kortom: puur wettelijk kun je tijdens de les toe met minder, maar omdat je auto op het examen aan alle CBR-eisen moet voldoen, richt je hem meteen op examenniveau in. Zo hoef je er nooit meer over na te denken.